Cellist ARNE DEFORCE
 
 
 
 
>> bio >> agenda >> repertoire >> notes >> cd >> press >> interviews >> docARTES >> contact
                 
                 

 

aeon scelsi diapason5

Lisez la critique de Pierre Rigaudière dans DIAPASON de juin 2007

Maarten Beirens in de STANDAARD 19 juni 2007 starsstarsstarsstars 4/4

Kritik von Paul Hübner in KLASSIK.com starsstarsstarsstars 4/5

Martine Dumont-Mergeay dans LA LIBRE Culture 19 septembre 2007 starsstarsstarsstars 4/4

MUZIEK & WOORD recensie van Luc Brewaeys december 2007

Révélations et indispensables 2007 | Médiathèque Jacques BAUMEL Voici les coups de coeur des discothéquaires. Découvrez les révélations et indispensables musicaux de l’année 2007

 

>> 

version Français Les trois stades de l'homme  

 

Met zijn totale duur van meer dan vijftig minuten is de Trilogie voor cello de belangrijkste en meest vernieuwende verwezenlijking voor het instrument sinds de Suites van Johan Sebastian Bach. Triphon en Dithome, de eerste twee delen dateren van de periode 1957-1965. Het derde deel Ygghur, kwam integraal tot stand in 1965. En dat is merkbaar aan de stijl. Nochtans lijkt het erop dat Scelsi in datzelfde jaar de twee eerder geschreven delen heeft teruggetrokken en weer ‘herwerkt’. Zoals vaak, gebeurde dat in nauwe samenwerking met zijn vertolkster, de celliste Frances-Marie Uitti. De Trilogie heeft als tweede titel De Drie Stadia van de Mens. Het eerste luik Triphon, telt drie delen: Jeugd-Energie-Drama. Dithome het tweede luik dat zich naar analogie met het eerste ontwikkelt, bestaat uit één deel al heeft het ook drie ondertitels: Volwassenheid-Energie-Gedachte. Het afsluitende luik Ygghur vertoont dan weer een driedelige opsplitsing. De ondertitels luiden Ouderdom-Herinneringen en Katharsis-Bevrijding.

GIACINTO SCELSI
DE DRIE STADIA VAN HET LEVEN (1957-1965)

Arne Deforce

Ziet u, mijn brave man,
denk niet, laat denken
zij die nood hebben aan denken .

Ontsnappen, ontvluchten, uittreden en binnendringen in een andere wereld, dat is volgens Giacinto Scelsi het hoogste doel van de scheppende kunstenaar – afstand nemen van het denken en zich overgeven aan de scheppende kracht van de toon. Niet componeren in de traditionele zin van het woord com-ponere, samenstellen, maar improviseren, scheppen door middel van ‘vluchtlijnen’ – het concept van Gilles Deleuze dat staat voor de deterittorialisering van het denken en heel duidelijk één van de onderliggende motieven illustreert van Scelsi’s scheppende verbeeldingskracht : “In de kunst zowel als in de muziek bevindt de essentie zich niet langer in de vormen en de materialen, noch in de thema’s, maar in de krachten, de densiteiten, de intensiteiten .” Improviseren om te vluchten in een anti-geheugen waar muziek ontstaat in de vlucht van haar verdwijning. Vluchten en binnendringen in de overgang van het concept-noot naar het concept-klank om de onophoudelijke energie die in de sonore materie zelf aanwezig is naar boven te brengen. Scelsi zelf stelt het graag als volgt : “De Westerse klassieke muziek heeft bijna al haar aandacht besteed aan het muzikale kader, aan wat men de muzikale vorm noemt. Zij is vergeten de wetten van de sonore energie te bestuderen, om muziek te denken in termen van energie, dat wil zeggen van leven; en zo heeft ze duizenden prachtige kaders geproduceerd, maar dikwijls nogal lege, want zij waren slechts het resultaat van een constructieve verbeeldingkracht, hetgeen zeer verschillend is van de scheppende verbeeldingskracht .”

Urenlang, dagenlang improviseren om in het denken een nomadische kracht op te roepen die zich losmaakt van zijn eigen remmingen : een kracht die zich alleen manifesteert doorheen de voortdurende wordingen die worden opgewekt in het onderzoek naar het binnenste van de klank zelf, teneinde de oneindige energie die er zich in bevindt te bevrijden. Improviseren als een nomadisch schrijven in absolute snelheid. Improviseren in het binnenste van de klank met een snelheid waarin alles tegelijkertijd kan worden waargenomen, de traagheid evenals het onbeweegelijke. De klank niet als statische noot – het klankpunt – maar de klank als een dynamische sfeer die zich ontvouwt in de totaliteit van het harmonische spectrum. Niet langer de muzikale ontwikkeling van de consistente vorm – het transcendente organisatieplan van het Westen – maar het ‘éénstemmig’, éénduidig immanentieplan van het Oosten : de opeenvolging van muzikale blokken gecreëerd door middel van een automatisch onderbewust schrijven zoals de ‘écriture automatique’ van de Franse Surrealisten, de oneindige ontwikkeling en uitwerking van de articulatie en het boventoonspectrum van één afzonderlijke toon – door Scelsi gedefiniëerd als ‘de diepte van de toon, zijn derde dimensie’,  de sprongen in de afgronden van de intervallen, de spanningen tussen stationaire toonprocessen en opeenstapelingen van complexe ritmische articulaties. Een muziek voortgebracht vanuit de afzonderlijke unieke toon waarin alle hoogten, alle intervallen, alle snelheden en traagheden, alle timbres en intensiteiten, in een simultaan proces van wording worden gehoord. Muziek als manifestatie van een simultaan in elkaar bewegend proces van klank-worden in de tijd en tijd-worden in de klank. De immanentie van de toon – de klank – tegenover de transcendentie van de vorm. Dat is de inzet. Klank en tijd als metafoor voor het generatief principe van een muzikaal vormconcept dat onophoudelijk op de vlucht is voor zichzelf. Vorm als anti-structuur waar de grenslijnen van het componerende denken achterwege worden gelaten en de klank in het spoor van zijn voortgang zelf, zijn eigen dynamische structuur tekent. De toon als scheppend vermogen waaruit alles ontstaat en waarheen alles terugkeert, de op en neergang van het leven zelf dat vibreert in het oog van de tijd.

O

Ziedaar het pictogram van de cirkel en de lijn. Het zensymbool dat staat voor Scelsi’s beeltenis van het scheppende Zijn. Twee voorstellingen van het oneindige. De leegte en de veelheid. In zen : de zee en de golf. De cirkel symbool van de kosmische toon, de lijn symbool van de tijd; het zijn en het worden stilstaand in beweging. Het pictogram als definitie van klank als bron van alle leven, door Scelsi gedefiniëerd als volgt: “De toon is de eerste beweging van het onbeweeglijke, en dàt is de aanvang van de Schepping .” De ‘O’ symboliseert de spirituele voorstelling van de scheppende leegte, het onbeschrijfelijke dat buiten ons voorstellingsvermogen ligt, het principe van de verschillende levenscycli, het ritme van de geboorte tot de dood, de scheppende kracht in de fysieke wereld waar alles constant circulerende beweging is. Het oergeluid in de trilling van de materie. Uit de leegte ‘O’ ontstaat ‘I’, de wereld van materie, ruimte en tijd. In zenkalligrafie steeds getekend als een horizontale streep ‘__’, ter uitbeelding van het verloop van de tijd, het begin en het einde. ‘I’ als de poëtische incarnatie van de golf, die om het even welke vorm kan aannemen en zich uiteindelijk terug oplost in ‘O’, de leegte. Het leven zelf dat doorheen diverse stadia van inwijding, in de cirkel-wordende lijn van de toon, vibrerend muziek wordt. Vandaar de titel I tre stadi dell’uomo, Scelsi’s ‘in’ muziek geschreven autobiografie over de drie stadia van het leven : jeugd – volwassenheid - ouderdom. Een reis op de golfslag van de toon.

Triphon – Jeunesse-Energie-Drame (1956)

Triphon – drieklank-triade – evoceert de eerste fase van Scelsi’s muzikale autobiografie. Een muzikale getuigenis over de viriele en ongetemde krachten die de ontluikende jeugd eigen zijn. De jeugd als metafoor voor opstandige kracht en uitdager van het onmogelijke : de dionysische vervoering en het niet te stuiten verlangen naar geweld. Energie als voorwaarde tot groei. Zich losmaken van de geschiedenis, van alle weten, afstand nemen van de betreden paden en alle territoria deterritorialiseren. Drama als katharsis. Trillen en vibreren in de kern van de toon en met de kracht van zijn golfslag, binnendringen in de branding. De toon openbreken, opsplitsen en tot in zijn kleinste partikels uit elkaar halen om hem als een ongepolijste sonore kracht opnieuw samen te stellen, te herbepalen en het heruitvinden. Destructie evenals constructie. Dat is Triphon, deconstructie, reterritorialisatie. Bij uitstek, de roeping van de Jeugd.
Vanaf het begin komt in Triphon een uniek geluid en een virtuositeit van bovenmenselijke spanning tot uiting. In de twee hoekdelen van TriphonJeunesse & Drame – is de klank van de cello opgesplitst door gebruik van een speciaal ontworpen metaaldemper die op de twee laagste snaren C en G is geplaatst, en bij een intense klankproductie microtonale vervormingen en een rollend, metaalachtig ratelend geluid produceert. Net als bij de ‘prepared piano’ van John Cage veroorzaken deze dempers hier een vreemde, ratelende en rinkelende resonantie die Scelsi vergelijkt met de dreunende en grommende geluiden in de boventoongezangen van Tibetaanse monniken. Het resultaat is een gefilterde en gemoduleerde klank, door contrasten in ‘korrel’-structuur schor en schraperig en bijzonder rijk aan tussenklanken. Wie het unieke geluid aandachtig waarneemt, ontdekt een complexe en ‘contrapuntische’ klank waarin zich een ‘geschil’ afspeelt tussen de op het instrument gespeelde tonen (met drie verschillende soorten vibrato’s), de hoog en laag ratelende klank van de metaaldemper en de door dit ‘geschil’ veroorzaakte subliminale verschiltonen.

De reis doorheen I tre stadi dell’uomo gooit de luisteraar meteen binnen in een lijfelijke en gestuele wereld, waar begeertes, driften en passies de drijfkracht zijn achter een turbulente en musculaire virtuositeit. In het eerste deel – Jeunesse – komt een bruisende en heftige stroming op gang vol grillige ritmes, schurende en harde geluiden, betoverend lelijk én spectaculair. Een bezwerende inwijdingsdans voert naar een andere wereld. In het middendeel – Energie – dat zonder demper wordt gespeeld, komt een heldhaftige mars op gang, waar tussen de krachtige ritmes en staccato herhaalde noten, capricieuze en uiterst snelle signaalmotieven worden opgevoerd. Ook hier zijn in de schalmei-achtige muzikale figuren en versieringen reminiscenties merkbaar aan de extatische muziek van oosterse sjamanistische trance-meditaties. Drame – het derde deel – dat opnieuw met metaaldemper wordt gespeeld, toont de dramatische ontknoping waarbij de volledige reikwijdte en energie van het instrument worden ingelijfd. De intervallen en de tessituur staan hier als gapende kloven en reusachtige kraters op hun breedst, waarna onderhevig aan een sonore polaire kracht (F-C) de klank geleidelijk aan wordt teruggevoerd naar zichzelf, het einde van het begin, aanvang zonder eind. Stilstand in beweging. Triphon eindigt krachtig en abrupt in C, de grondtoon van de instrument.

de mens van klank
een beetje schaduw
bezet de hele vallei
aan zijn lied zal nooit
een eind komen

Dithome – Maturité-Energie-Pensée (1956-57)

Dithome – dichotomie / tweedeling – is muzikaal ééndelig en is met uitzondering van begin en einde opgevat als een lang uitgerekt palindroom; twee grote muzikale spanningsbogen staan in een spiegelvorm tegenover elkaar. Dithome representeert de mens in zijn opgang naar de middelbare leeftijd en eens tot rijpheid en volwassenheid gekomen een in gedachten terugblikkende herinnering. Een driedelig concept wordt binnen een ééndelige vorm, tweeledig opgesplitst : Maturité/Energie, de opgang van de muzikale spanningsboog en Pensée, de spiegelvorm ervan. Een intense virtuositeit komt gelijdelijk aan op gang en voert ons mee naar het centrum van de klank : “de diepte en de werkelijke sferische dimensie van de klank .” De cello zingt, resoneert en vibreert als nooit tevoren. In aanvang sober, langzaam en beheerst ontvouwt zich uit een centraal motief een wervelend palet van snel bewegende klankkleuren. De ruwe en metaalachtige klanktexturen van Triphon worden in Dithome geleidelijk aan ontwikkeld tot een sonore en veelstemmig bewegende celloklank.

In het eerste deel Maturité/Energie – ontplooien zich na een langzame zangerige inleiding, vluchtig vliedende lagen van ritmische pulsering. Met kwarttonen, een sterk gedifferentieerde articulatiepolyfonie en razend snelle snaarwisselingen transformeert zich in de climax, uiteindelijk de klank zelf (op de grenzen van het technisch haalbare) in een bezwerende en energieke klankstroom. Gerijpte levenskrachten komen in een onstuitbare energie tot volle wasdom waarna ze geleidelijk aan evolueren tot bezinning, bewustwording en verstilling.
Daarna loopt de volledige muzikale zin terug, van achter naar voor als een grootse opgevatte terugblik – de herinnering. Pensée – de denkende mens die in ‘gedachte’ terugkeert in de tijd, terug naar zijn aanvang. In een korte coda verschijnt in gewijzigde vorm ook nog eens het materiaal van de inleiding. Als ‘vergetende-herinnering’ toont ze dat alles niet meer is als voorheen.

zich derealiseren
dat wil zeggen het nemen van
een andere werkelijkheid

Ygghur – Vieillesse-Souvenirs-Catharsis/Libération (1965)

Ygghur – loutering / bevrijding – is het magistrale hoogtepunt en zonder twijfel het allerhoogste doel van de in Triphon en Dithome aangevatte reis. De mens op zoek naar een staat van transcendentie. Ygghur als beeld van een buitenzinnelijke ervaring, stilistische en spirituele transfiguratie, de roep van de stilte in het centrum van de toon. De ‘derealisatie’ van het gestuele en musculaire klankenspel wordt de ‘realisatie’ van een alchemie der tonen. Een mystieke contemplatie, alsof de klanken niet langer in de grondtonen van de cello ontstaan maar in de omringende lucht, de stilte van het Zijn.

Stilistisch behoort Ygghur tot de zogenaamde ééntoonswerken, waarbij een toon wordt opgevat als een kleur die voortdurend verandert van intensiteit. Om die speciale kleur naar buiten te brengen schrijft Scelsi scordatura voor – het verstemmen van de snaren naar bes des Bes Des in plaats van a d G C – en is de partituur opgesplitst genoteerd op vier notenbalken, één voor elke snaar. Zo komen voor de linkerhand nieuwe grepencombinaties vrij waarmee de toon over de viersnaren heen vertakt en opgesplitst wordt tot een microtonale ééntoonscluster. Dit leidt tot een unieke polyfone behandeling van de klank die een oneindige schakering aan timbres en energie aan de oppervlakte brengt. Energie niet alleen in natuurkundige zin, maar voor Scelsi ook geestelijke en scheppende kracht. “U hebt geen idee van wat er zich in één enkele toon bevindt! Er zijn, zelfs contrapunten indien men wil, verschuivingen van verschillende timbres. Er zijn zelfs boventonen die heel andere effecten geven, die niet alleen uit de toon zelf voortkomen, maar binnendringen in het centrum van de toon. Er zijn concentrische en divergerende bewegingen binnen één enkele toon. Die toon wordt zeer groot. Dat wordt een deel van de kosmos, hoe klein ook. Alles zit erin .”

In het eerste deel van Ygghur - Vieillesse – horen we hoe de toon zich draait en wentelt in een weefsel van snel roterende arpeggio’s. Vrijwel al het muzikale materiaal bestaat uit tonale centra, kwarttonen en boventonen.  Voortsnellende minuscule glissandi, verschillende vibratotypes, trillers, pizzicati, en diverse articulaties in timbre en dynamiek, omgeven het spoor van de toon met een wemelende bandbreedte van activiteit. De muziek verliest daardoor haar gebruikelijke harmonische oriëntatie, waarbij een soort van ontstoffelijking optreedt wanneer de dynamiek afneemt en de boventonen de belangrijkste rol gaan spelen. In de subliminale activiteit van de boventonen beweegt een infra-chromatisch en nevelig klankspectrum dat een meditatieve stilte oproept. Als een breed stromende rivier met verschillende snelheden en traagheden verklankt de muziek het onophoudelijk stromen van gedachten; een bewustzijnsstroom in het spectrum klank.

In het tweede deel– Souvenirs – dat volledig is gespeeld met het hout van de strijkstok ‘col legno tratto’, is het sonore materiaal teruggebracht  naar een strikte ééntoonsmelodie. Rond een centrale toon ontwikkelt zich een fragiel gearticuleerd pizzicatospel van de linkerhand die doet denken aan de etherische klankzwevingen van de Indische tanpura en de ritmische klankinflecties van de tabla. Souvenirs evoceert niet de ‘gedachte-herinnering’ zoals Dithome; maar de memorie als verdwijnende herinnering. “Dit grote onpersoonlijke geheugen die de herinnering zonder herinneringen aan de oorsprong is” – de ‘vergetende-herinnering,’ zoals beschreven door Maurice Blanchot. De herinnering als de verte, als de afgrond, of herinnering als verwarring : “dit vermogen tot alteratie dat, verrassend nabij, het raadsel van een onbegrensde verandering in ons onderbrengt .” Het derde deel – Catharsis/Libération – is het vehikel dat voert naar de bevrijdende extase. Transfiguratie. De toon als “de eerste beweging van het onbeweeglijke” verstilt in een sferische klank van onstoffelijkheid. Hier eindigt de reis. In de hoogste tessituur van het instrument komt een haast gedematerialiseerde klank tot uiting. De memorie zelf is trilling geworden, het gezang van het verlichte bewustzijn dat opgaat in de grote leegte van de geest – O.

het vaste punt
verwekt
door de wenteling
is in het centrum
van de sfeer
zodat
ze vormt
door extreme intensiteit
de bevrijdende
extase

En beluister nu,
zolang ge het kunt horen,
de weerklank van de boventonen van deze diepe toon. .

 

Arne  Deforce  -  20/01/07

Giacinto Scelsi, L’homme aux chapeaux, in Les anges sont ailleurs, Textes et inédits recueillis et commentés par Sharon Kanach, Actes Sud 2006, p. 38

Gilles Deleuze, Mille Plateaux, Les Editions de Minuit 2004, p. 423

Giacinto Scelsi, Son et Musique, in Les anges sont ailleurs,p. 131

Giacinto Scelsi, La puissance cosmique du son, in Les anges sont ailleurs,p. 150

Giacinto Scelsi, Poésies Isolées, in L’homme du son, Poésies recueillies et commentées pas Luciano Martenis, avec la collaboration de Sharon Kanach, Actes Sud 2006, p. 306

Giacinto Scelsi, Son et Musique, in Les anges sont ailleurs,p. 126

Giacinto Scelsi, Cercles, in L’homme du son, p. 217

Gezien de heel extreme spanning op het instrument die de voorgeschreven scordatura met zich meebrengt heb ik naar het voorbeeld van Frances-Marie Uitti geopteerd voor een scordatura een halve toon lager gis b Gis B.

Giacinto Scelsi, Conversations avec G Scelsi, in Les anges sont ailleurs, p. 75

Maurice Blanchot, Oublieuse Mémoire, in L’Entretien Infini, Gallimard 1969, p. 461

Giacinto Scelsi, Cercles, in L’homme du son, p. 227

Giacinto Scelsi, Art et Connaissance, in Les anges sont ailleurs, p. 217