|
|
|
|
|
|
||||
| >> bio | >> agenda | >> repertoire | >> notes | >> future | >> press | >> interviews | >> orpheus | >> contact |
|
|
|
|
|
>> |
||
|
|
Anton Webern 1883-1945
Drei Stucke opus 11 voor cello en piano Samen met zijn leermeester Arnold Schönberg en zijn tijdgenoot Alban Berg ligt de Oostenrijkse componist Anton Webern (1883-1945) aan de basis van de Tweede Weense School. Als een precies, helder en zorgzaam dirigent voert hij in Duitsland, Zwitserland en Engeland niet alleen de Weense muziek uit, maar ook de muziek van Gustav Mahler voor wie hij een grote bewondering koestert. Het opmerkelijk kleine oeuvre van Webern bestrijkt in totaal niet meer dan vier uur en is vanaf zijn Drei Volkstexte, opus 17 opgebouwd volgens een strikt seriële methode. Zijn muziek volgt een precieze opbouw van geluid en stilte en is geconcipieerd in een "diagonale dimensie": Webern laat elke herhaling vallen, breekt met de tonaliteit en puurt de dodecafonie uit tot op het bot. Hij streeft helderheid na door een grote klankrijkheid en door met klankkleurmelodieën "Klangfarbenmelodien" te werken. Er zijn niet veel waarheden even moeilijk te verklaren als dat zijn muziek niet uitsluitend de "Kunst der Tonen" is, maar veeleer een contrapunt van klank en stilte wil zijn (Pierre Boulez). De invloed van Webern domineert de jaren vijftig, wanneer zijn muziek uitgroeit tot een model, een symbool voor een nieuwe esthetiek die breekt met de romantische traditie. Heden ten dage moet men deze breuk relativeren en moet men zijn muziek inschatten zoals hij dat zelf deed : rechtstreeks aansluitend op de logische en historische evolutie van de muziek met niettemin een extreme, unieke en gepassioneerde vastberadenheid die zo kenmerkend is voor dit fundamentele en uitzonderlijke originele oeuvre. Met zijn Drei Kleine Stücke onderzoekt Webern - binnen een zeer beperkt instrumentaal kader - de esthetiek van de beknoptheid, van de bondigheid en van een verdunning qua duur en intensiteit. De drie stukken volgen een opbouw gematigd-levendig-traag en bestaan uit respectievelijk 9, 13 en 11 maten! Alle technische mogelijkheden van de cello worden op een zeer verscheiden manier gebruikt: harmonische klanken, pizzicato/arco, met demper, enz… De muziek is in haar ultrabondigheid gereduceerd tot korte zelfstandige motieven met enkele noten die soms volledig geïsoleerd voorkomen, ter vervanging van de traditionele Mahleriaanse melodielijn. Zoals Weberns tijdgenoten Kandinsky, Malevich of Klee de schoonheid van de verzelfstandiging van kleur en vorm in de schilderkunst hebben aangetoond, laat Webern ons luisteren naar de magie van pure klank, klankkleur en klank/stilte… Boulez verwijst terecht over de aphoristische stijl van deze werkjes naar de Japanse Haiku poëzie waarin de kracht van enkele woorden volstaat voor het uitdrukken van het onbeschrijfelijke, waar wij in het Westen bladzijden discour voor nodig hebben. "Le parallèle avec le hai-kai japonais s'établit aisément: une phrase suffit à mettre en place un univers et à l'imposer avec force. La troisième piece de l'opus 11, par exemple se restreint à dix 11 courte mesures. L'occident á toujours eu besoin d'un geste largement explicite pour comprendre ce que l'ont veut lui signifier. Si on compare, au théatre, ce style de nos acteurs avec le style japonais, le style de nos danseurs avec celui des danseurs de l'Inde, on verra immédiatement ce dont il s'agit. Webern est novateur, on le voit, dans l'esthétique de ses œuvre, mais aussi dans la physique et dans le geste du concert". Pierre Boulez in Relevés d' apprenti. © Arne Deforce
|
|