Cellist ARNE DEFORCE
 
 
 
 
>> bio >> agenda >> repertoire >> photo >> future >> press >> interviews >> orpheus >> contact
                 
                 

[...] Mijn persoonlijke ervaring van het luisteren naar hedendaagse muziek leert mij dat, op weinig uitzonderingen na, de kunst van de compositie, zoals die ‘verstaan’ wordt door de instellingen die de indruk wekken te bestaan om de nieuwe muziek te promoten en te voeden, stervende is in vergelijking met wat zich voltrekt en ontwikkelt in de context van de improvisatie.

[...] Elke muziekpartituur draagt een vraag in zich, die moet beantwoord worden door de uitvoerder(s). (De meeste componisten schijnen enkel geïnteresseerd in een “ja” als antwoord.) Wat ik probeer te doen, is deze vraag op de muzikale voorgrond schuiven, in de hoop dat, als de uitvoerder zijn muziek als antwoord geeft, de verbeelding zich gaat openen (wat nog niet is kunnen gebeuren in andere omstandigheden), en in de hoop dat dat proces zichzelf zal communiceren om de verbeelding van de luisteraar te activeren.

 

>> Essay

next text >>  
   

RICHARD BARRETT 

Essay / Blattwerk: 

compositie, improvisatie,samenwerking  

(vertaling: Yves Knockaert) voor "Contra." Stemmen over muziek jaargang 2/5 September Oktober 2002, Alamire, Peer.  

Arne Deforce & Richard Barrett performing Blattwerk at concertgebouw Brugge

Inleiding:

Voor de Britse componist Richard Barrett, die sinds korte tijd in Berlijn leeft, is componeren iets helemaal anders dan het samenvoegen van noten op een esthetisch verantwoorde manier. Hij ziet componeren als een holistisch gebeuren, met een aantal onmisbare accenten zoals communicatie en samenwerking met de uitvoerders, het onderzoek van de verhouding tussen uitgecomponeerde en geïmproviseerde muziek, of het aanwenden van live electronics. Binnenkort gaat Blattwerk in première, een samenwerking van Richard Barrett met cellist Arne Deforce. In dit essay is Richard Barrett zelf aan het woord. Aan de hand van zijn nieuwe compositie zet hij zijn persoonlijke componeeresthetiek uiteen.

Communicatie

Blattwerk is een compositie van ongeveer 25 minuten voor cello en live electronics, afgewerkt tijdens de zomer van 2002. Alhoewel er maar één instrumentalist is, heb ik het stuk toch opgevat als een duo voor cellist Arne Deforce en mijzelf, verantwoordelijk voor de live electronics. Het elektronische gedeelte werd gerealiseerd in de CRFMW (Centre de Recherches et de Formations Musicales de Wallonie) te Luik, in samenwerking met Patrick Delges, die het MaxMSP-programma schreef dat tijdens de uitvoering gebruikt wordt (zie verder). Blattwerk combineert uiterst precieze muzikale specificaties (zowel in de notatie van de cellopartij als in de aanwending van de vooraf ontworpen en vastgelegde elektronische passages) met vrije improvisatie voor beide uitvoerders. Daarbij komt het computerprogramma met ‘automatische’ samples en play backs (‘automatisch’ betekent hier: met een grote variabiliteitsgraad van toeval of random). De combinatie van precieze notatie met improvisatie heb ik al in vroegere werken uitgeprobeerd: in transmission voor elektrische gitaar en electronics (geschreven voor Daryl Buckley en voltooid in 1999) en in de werken voor groot ensemble Opening of the Mouth (met het Elision ensemble, 1997) en DARK MATTER (voor een combinatie van het Elision ensemble en het Cikada ensemble, 2001-2003). Daarbij was de expansie van compositorische horizonten door het insluiten van improvisatie telkens een natuurlijke en logische ontwikkeling van een langdurige samenwerking. Dat was ook nu het geval met Arne Deforce. Een belangrijk aspect van improvisatie is bijgevolg de communicatie tussen de uitvoerders. Ook de notatie heb ik in de allereerste plaats altijd beschouwd als een communicatiemiddel tussen componist en uitvoerder(s), dus noch als een set instructies of eisen, noch als een soort doel op zich (alhoewel ik er sterk van overtuigd ben dat elk communicatiemiddel gebukt gaat onder een aantal ambiguïteiten, imperfecties, contradicties enzovoort, die samen instaan voor wat je de ‘poëzie’ van de notatie zou kunnen noemen).

Blattwerk is in zekere zin een poging om structureel/dramatisch ‘betekenis’ te geven aan de verschillende communicatiemodaliteiten die kunnen bestaan tussen musici, tussen muzikale materialen, tussen muzikanten, instrumenten en klanken. Dat sluit bijgevolg een bepaalde vorm van relatie in tussen de componist en de uitvoerder, die de mogelijkheid inhoudt om te breken met het ‘gevestigde’ 20ste-eeuwse relatiemodel. Voor mij is het van cruciaal belang diepgaand deze relatiemodellen uit te werken en daarom ook zal ik erop terugkomen in het besluit van dit essay.

Een doos met vier snaren

Blattwerk zet de ontwikkelingslijn voort die begon bij mijn eerste solo voor cello, Ne songe plus à fuir uit 1986, en die verder loopt over drie andere solowerken voor cello (waarbij ik geen melding maak van de solo’s voor andere instrumenten). Die solo’s waren voor mij uitstekende gelegenheden om telkens dieper in te gaan op het concrete en materiële aspect van muziek en, vrij van elke metafysische beneveling, toch te pogen om ergens (?) buiten de muziek te treden.

In Ne songe plus à fuir heb ik voor de eerste maal geprobeerd om een compositie enkel en alleen te ontwerpen vanuit de ontmoeting tussen een expressieve/structurele ‘visie’ en het instrument zelf, zonder de tussenkomst van een abstract concept van muzikale materialen en relaties. Daardoor is het weinig zinvol om van ‘toonhoogtes’ in deze muziek te spreken: het gaat om ‘locaties’ op het instrument, locaties of plaatsbepalingen die op zich speciale gevallen van de bewegingen zijn, inherent verbonden met het instrumentale spel en klankgeneratie. Ik vind hier een raakpunt met verschillende vormen van geïmproviseerde muziek, en met muzikale tradities uit het Verre Oosten, vooral uit Japan.

Zoals de Japanse muziek voor de koto of biwa een modale structuur gebruikt als een tabula rasa, waarop intentionele, timbrale en gearticuleerde complexiteiten kunnen neergeschreven worden, evolueert Blattwerk vanuit een ‘objectieve’ kijk op de cello als een doos waarover vier snaren gespannen zijn. De eerste en minimale ‘verkenning’ bestaat uit een systeem van glissandi, die het basismateriaal (toonhoogtes) vormen: één glissando per snaar. In het elektronische voorspel foreshadow werden de vier strengen materiaal – één voor elke snaar – opgenomen, gesuperponeerd en bewerkt als een basis voor de amorfe ‘embryonale’ klanktextuur. In de elektronische finale van fossil (het vijfde en laatste deel van Blattwerk), zijn de keerpunten van dezelfde glissandi – nu ‘versteend’ tot stabiele toonhoogtes – gesuperponeerd tot een homofone canon. Op deze manier is de archeologisch ‘oudste’ laag van Blattwerk er in terug te vinden. De genoteerde muziek voor cello, die hoe langer hoe minder domineert in het aflopen van de compositie, extrapoleert diezelfde materialen in meer gesofisticeerde en inderdaad ook meerlagige manieren; de ‘geautomatiseerde’ activiteit van de computer pikt in deze fase materiaal op, om het opnieuw te ordenen en te combineren. Tenslotte vormen alle voorgaande proliferaties zelf een kiem-environment, van waaruit men spontaan kan improviseren.

Spontaneïteit

Spontaneïteit is geenszins iets dat ‘zomaar gebeurt’. Tot op cruciale hoogte hangt spontaneïteit af van externe en interne condities, die natuurlijk een zeer gespecificeerd muzikaal kader kunnen vormen, zoals in jazz. Improvisatie kan niet gebeuren zonder een gevoel voor de situatie namelijk het ontbreken van precieze situering, zelfs al is er een constante feedback tussen de muziek en haar kader (zoals in de geïmproviseerde werkvorm die ik verkies), zodat de vorm van het kader beantwoordt aan de muziek, die daardoor zelfscheppend is, meer dan gefixeerd te zijn door traditie. Om deze reden ben ik over het algemeen niet geïnteresseerd in de halfbakken combinatie van compositie met improvisatie, waarmee ik de verschillende pogingen bedoel om een notatiewijze te ontwerpen waarin één of andere normale karakteristiek ontbreekt, zoals in de avant-garde van de jaren ’60. En dan zwijg ik nog over de ‘grafische notatie’, die ik beschouw als een grove weigering om zich te engageren in de communicatieve functie van een partituur.

In Blattwerk zijn sommige gedeeltes strikt genoteerd en andere niet. Er zijn geen ‘halfgenoteerde’ passages, zoals er ook geen ’richtlijnen voor improvisatie’ zijn. Ik ben de overtuiging toegedaan dat de muzikale context van de geïmproviseerde momenten in het werk, samen met de muzikale intelligentie van de uitvoerders, de enige noodzakelijke ‘richtlijnen’ zijn. Bijgevolg zou elke uitvoering (en, onnodig te zeggen, elke uitvoerder) een andere benadering moeten voortbrengen.

Het werken met improvisatie heeft zeker ook niet de bedoeling om een ‘aleatorische’ parameter binnen een compositorisch schema te creëren, alsof de ‘organisatie van een delirium’, waarover Boulez decennia geleden sprak, tegenwoordig mogelijk zou zijn. Delirium is datgene wat buiten alle door iemand bedachte grenzen van de rede ligt; men moet bereid zijn deze grenzen eerder te overschrijden dan te pogen ze te koloniseren. De ‘open vormen’ van de jaren ’60 lijken vandaag meestal nogal bedeesd. Om een ander metafoor te gebruiken: de deur staat op een kiertje maar je ziet de zware ketting, die voorkomt dat iets al te storends zou kunnen gebeuren. In Blattwerk is er absoluut niet die soort dialoog tussen ‘open’ en ‘gesloten’ vorm. De compositie doet een beroep op een aantal uitvoeringsbenaderingen omwille van hun potentieel om klanken en vormen te genereren. Het heeft mij ettelijke jaren gekost eer ik mij realiseerde hoe eenvoudig de situatie tegenwoordig is. Maar dat resultaat heb ik enkel kunnen verkrijgen door jarenlange intense samenwerkingsverbanden met musici zoals Arne Deforce, en door tegelijk een compositorische identiteit uit te bouwen doorheen de evolutie van mijn werk, die (naar ik hoop) wint aan poëtische kracht vanuit die relaties. Het zal in elk geval niet altijd mogelijk zijn om bij de eerste beluistering het onderscheid te maken tussen genoteerde en niet-genoteerde muziek; en er is geen enkele reden om dat onderscheid altijd te moeten kunnen maken, tenzij het doel van de luisteraar een academische analyse is, wat ik hier uitsluit.

De tocht naar de cello begon met Ne songe plus à fuir en voerde uiteraard op natuurlijke wijze naar een ander soort relatie tussen componist, compositie en uitvoerders. Om te begrijpen waar de muziek ‘vandaan komt’ is een zekere interesse of zelfs een zeker engagement in improvisatie noodzakelijk. Vele van de meest idiomatische uitvoerders van mijn genoteerde muziek zijn ook geëngageerd in improvisatie als een geïntegreerd onderdeel van hun muzikale activiteit. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid tot samenwerking op een manier die niet zozeer de fameuze deur opent maar wel de muur wegneemt waarin de deur geplaatst was. De samenwerking met Arne Deforce in Blattwerk maakt ‘arbeidsverdeling’ mogelijk. De rollen van componist en uitvoerder blijven behouden, zij het dat de componist veel eerder de vakkundigheid van de uitvoerder efficiënt aanwendt dan dat hij hem ‘bevelen’ geeft. Noch Arnes ervaring met de cello, noch de mijne met het overzetten van verbeelding naar notatie, mag gecompromitteerd worden.

Ne songe… heb ik geschreven zonder precies ‘beeld’ van een uitvoerder in mijn hoofd, alhoewel het stuk oorspronkelijk geassocieerd was met Alan Brett, die de eerste uitvoeringen ervan vertolkt heeft. Daarna hebben andere cellisten het stuk op hun repertoire gezet en enkelen daarvan hebben met hun uitvoering nieuwe mogelijkheden voor dit werk aangeboord. Intussen gingen mijn andere solowerken er een rol in spelen; elke samenwerking ging uit van dezelfde bron, ongewijzigd, en heeft op zijn beurt muziek voortgebracht die sterk geconditioneerd is door deze ervaring: Dark ages en praha voor Frances-Marie Uitti, von hinter dem Schmerz voor Friedrich Gauwerky en nu Blattwerk. Een belangrijk verschil is dat mijn samenwerking met Arne Deforce intussen reeds verschillende soorten van improvisatie en van interpretatie omhelst, bijvoorbeeld onze uitvoering als duo van Stockhausens Pole für zwei, live muziek voor een experimentele film en deelname aan andere improvisatie-ensembles. Daardoor lijkt het volkomen natuurlijk dat dit aspect, samen met andere aspecten van mijn ervaring en zijn spel, gesublimeerd zijn in Blattwerk.

Het vallende blad

Blattwerk breidt het technisch vocabularium van de cello uit ten opzichte van mijn vorige solowerken voor het instrument, door het gebruik van fenomenen zoals subharmonieken (zie verder). Hier moet ik echter aan toevoegen dat het mijn primaire bedoeling was om, ten eerste, een continuum te creëren tussen de verschillende speelwijzen op het instrument (in plaats van die speelwijzen te behandelen als afzonderlijke ‘klankeffecten’), en ten tweede, deze mogelijkheden enkel en alleen uit te breiden vanuit de impulsen van de muziek. Het resultaat is dat de technische waaier van het werk niet ‘encyclopedisch’ is – Blattwerk bevat bijvoorbeeld zeer weinig dubbele snaren (terwijl Ne songe… er vol van staat). De reden hiervoor valt samen met het gebruik van het materiaal, dat gestuurd wordt door de ‘automatische sampler’.

De poëtische oorsprong van Blattwerk is bijna kinderlijk eenvoudig: ik verbeeldde mij de weg die een blad aflegt als het van een boom valt en bewogen wordt door het spel van de wind: het legt onwaarschijnlijk complexe trajecten af, nu eens een kort moment neergevallen rustend tijdens een windstilte, dan weer sidderend bij de minste luchtverplaatsing. Ik verbeeldde mij dat dit traject niet plaats vond buiten het raam, maar in de multidimensionele ‘configuratieruimte’ van de cello, vanuit elke beweging een sonoor spoor achterlatend. Opnieuw kan men hier een vage echo van een Japanse oriëntatie menen te vinden: een natuurbeeld als symbool voor vergankelijkheid. De term Blattwerk zelf komt van Paul Celan, en staat in zijn vroege gedichten (samen met talrijke, bijna steeds Japanse verwijzingen naar seizoenen, vooral de herfst) symbool voor de ‘bladeren’ waarop zijn gedichten geschreven zijn.

Blattwerk bestaat uit vijf hoofddelen, die elkaar zonder onderbreking opvolgen, als scènes waarin de cellist geconfronteerd wordt met een reeks klank-environments. In het openingsdeel (foreshadow) is de cellist niet betrokken, terwijl het tweede deel (folio) alleen voor versterkte cello is en het meest direct uitdrukking geeft aan het ‘vallende blad’. In het derde deel (foliage) wordt de cello omgeven door gefragmenteerde en getransformeerde ‘beelden’ van hemzelf, gegenereerd door het MaxMSP-computerprogramma. Eerst wordt gewerkt met materiaal uit het eerste deel, dat geleidelijk vervangen wordt door materiaal van het tweede deel, dat op zijn beurt ‘lacunes’ gaat vertonen, waarin de speler spontaan mag reageren op dit geluidsenvironment. In het vierde deel (foliation) zijn er meer ‘lacunes’ dan genoteerd materiaal; tegelijk wordt een derde element toegevoegd, in de vorm van een actieve rol voor de live electronics-uitvoerder. Het environment is dan als het ware bewuster aanwezig, met gevolgen voor de poëtische evolutie van de muziek, deels voor de hand liggend en deels subtiel. Het vijfde en laatste deel (fossil) keert plots terug naar een precieze notatie voor de cello, die nu ‘gefixeerd’ is binnen een ensemble van vooraf opgenomen celli.

Folio

In folio en ook op andere plaatsen vertoont Blattwerk een ontwikkeling en een extensie van de compositorische en technische ideeën van transmission (1999) voor elektrische gitaar en live electronics. De opvallende gelijkenis tussen de twee composities ligt in het feit dat hun ‘basismateriaal’ op dezelfde twee wijzen uitgewerkt wordt: met technische middelen (het opnemen van het materiaal) en met ‘compositorische’ middelen (het gebruik van verschillende compositietechnieken, zoals glissandi). Die glissandi (vanuit vier basisglissandi, één op elke snaar) kunnen bijvoorbeeld heel snel zijn, als idiomatische bewegingen over de hele lengte van de vier snaren, zonder specifieke voorkeur voor bepaalde toonhoogtes. Van hieruit kan dan tot het stadium ‘componeren binnenin’ overgegaan worden: in de notenstroom worden verschillende toestanden en overgangen gespecificeerd, vanuit verschillende gestische/timbrale gedragingen. Dat ‘componeren binnenin’ of ‘intern sculpteren’ naar meer uitgewerkte klankprocessen kan bijvoorbeeld bestaan uit het plots aanhouden van bepaalde klanken in afwisseling met de glissandi. Hier wordt dan ook gebruik gemaakt van ‘subharmonieken’: door een speciale strijktechniek verkrijgt men een toonhoogte die ongeveer een octaaf lager ligt dan de werkelijk met de linkerhand ingedrukte noot, wat gepaard gaat met een bijzonder schril timbre. Verder komen complexe momenten voor, zoals het ‘punctueel’ plaatsen van elementen uit de glissandi over de hele omvang van het instrument, waarbij elke klank een andere speeltechniek gebruikt en waarbij klanken met dezelfde techniek tenderen naar een cluster. Een ander proces is ‘melodisch’ maar geeft vanuit basistoonhoogtemateriaal aanleiding tot complexe netwerken van op zichzelf terugslaande gelijkenissen en ‘ornamentatie’.

Dit is maar een greep uit de muzikale elementen en hun interacties die de structuur van folio uitmaken. Het compositorische proces maakt gebruik van nog veel meer elementen. Op elk moment is er namelijk een totaal in elkaar weven van gedetermineerde, random en ‘intuïtieve’ generatieprocessen. Daardoor is de muziek absoluut geen ‘rechtdoor’-collage van sequenties, van passages die elkaar opvolgen, maar het is muziek in een toestand van bijna gedurige versnelde verandering. Uitzondering daarop zijn enkele momenten van vertraging en stilstand op specifieke punten van het grillige parcours: als een van de snaren een korte ‘solo’ heeft, als een reeks van ‘niet-gerelateerde’ fragmenten ‘simpelweg plaatsvinden’ om uiteindelijk alle gecentreerd te zijn op één toonhoogte, of als een schijnbaar perpetuum mobile plots ‘vastloopt’. Die ‘fenotypische’ gebeurtenissen dragen op zijn minst evenveel bij tot het karakter van de muziek als het genetische materiaal waaruit zij ontstaan. folio is in zekere zin een klankbeeld van een muzikaal ‘organisme’, waardoor het verschilt van het monologische karakter in bijvoorbeeld Ne songe plus à fuir, alhoewel dat meer een kwestie is van gradatie en accentuering dan een fundamenteel verschillende benadering of poëtische intentie; een organisme is niet noodzakelijk altijd bloeiend in harmonie met zichzelf en zijn omgeving. Ik tenminste ben dat niet.

Folio bestaat structureel gezien uit een aantal sequences met daartussen transitions. Die strategie, waarbij een compositie is samengesteld uit een aantal quasi onafhankelijke subcomposities, heb ik eerder toegepast (meest opvallend in ruin voor 6x3 instrumenten, in Trawl voor kwintet en in de vierde akte van het muziektheaterstuk Unter Wasser). Dit is de eerste toepassing op een solo-instrument. Omdat het medium een zekere lineariteit vereist, waarin elementen meer opeenvolgend dan gelijktijdig georganiseerd moeten worden, is de benadering anders. De grootste verandering bestaat in het toevoegen van de transitions. Die hebben de functie om een hogere dimensionaliteit te creëren, die in een ensemblestuk bereikt kan worden door veelgelaagde texturen en processen op gang te brengen.

Electronics

In foliage wordt de cellosolo geconfronteerd met een automaton, het MaxMSP-computerprogramma. Dat laat toe eender welk klankmateriaal op te nemen, weer te geven, te filteren, te spatialiseren en te voorzien van reverberatie. Al deze bewerkingen kunnen gebeuren van volledig gecontroleerd tot volledig random, met mogelijkheden van variabele snelheid, densiteit, herkenbaarheid, enzovoort. Tussen de genoteerde passages van foliage in staan de improvisatielacunes, waarvan de duur varieert van minder dan één seconde tot veertig seconden, en waar geen enkele andere aanduiding gegeven wordt dan dat de cellist vrij is om te improviseren. Samen met het genoteerde materiaal van de cello komen deze geïmproviseerde elementen ook in aanmerking voor sturing door het computerprogramma. Deze live veranderingen van het materiaal worden gerealiseerd door de electronics-uitvoerder, echter zonder dat hij in een of andere zin wil ‘antwoorden’ op de cello. Het genoteerde materiaal van foliage vertoont analoge kenmerken: het is volledig afgeleid van de muziek van folio, door transition-processen over te nemen of door eenvoudige reproductie (maar altijd in omkering), waardoor meestal de indruk ontstaat dat een klein element van de net geklonken muziek het onderwerp is van een ‘microscopisch’ onderzoek, detaillagen ontvouwend die men voordien niet kon onderscheiden. Ook deze processen zijn uit een reeks momenten van folio afgeleid. De tijdsstructuur is veel eenvoudiger dan in folio (gebaseerd op ‘zelf-gelijkende’ proporties van klank en lacune) en veel meer gedetermineerd.

De cellist krijgt voor foliage volgende instructies: de ‘stille’ maten, aangeduid met ∞ (in plaats van een rust-symbool) zijn lacunes waarbinnen geïmproviseerd mag worden, in antwoord tot de gesamplede en bewerkte klanken van de computer. De beschikbare duur hoeft niet noodzakelijk gevuld te worden, er mag zelfs volledige stilte zijn. Het idee is dat de improvisaties (en/of stiltes) zouden pogen relaties te leggen tussen de genoteerde klanken (die volledig afgeleid zijn uit de muziek van folio), en tussen de genoteerde klanken en de computerklanken. De grote graad van discontinuïteit van de genoteerde muziek is bedoeld om structurele/expressieve ‘vragen’ te stellen, die enkel kunnen beantwoord worden (als dat al kan) door geïmproviseerde acties. Aan de andere kant mag geen enkel soort muzikaal materiaal a priori uitgesloten worden, om redenen van consistentie of smaak. Men kan zich een context voor alles inbeelden. Toch blijft de muzikale context van dit werk het richtpunt. De duur van de lacunes moet zo gelijk mogelijk zijn aan de opgegeven duur in de partituur (die een totaal hebben van 50% van de totale duur van foliage), alhoewel een zekere graad van tolerantie overeenkomstig de improvisatorische uitwerking toelaatbaar is.

In het vierde deel, foliation, komt de tweede elektronische laag aan bod, die gebruik maakt van het ‘instrument’ dat ik sinds enkele jaren ontwikkeld heb, zowel binnen compositorische als binnen improvisatorische contexten. Het gaat om een synthesizer-klavier en verschillende andere controlepanelen, die (door middel van een ander Max programma) toegang geven tot de LiSa sampling software. Die is voorzien van klankmaterialen afgeleid van de celloklanken (inclusief enkele klanken van een opname door Arne Deforce van Ne songe…, maar die zijn nauwelijks herkenbaar). Intussen loopt het MaxMSP-programma door, nu met zijn weergaveparameters min of meer random ingesteld, terwijl het klankmateriaal zeer geleidelijk vervangen wordt door stilte. Het genoteerde materiaal (cello) en het vooraf opgenomen (elektronische) materiaal nemen de vorm aan van vier muzikale ‘blokken’ met een duur van 15 tot 60 seconden, die alterneren met improvisaties. De improvisaties breiden uit van een beginduur van 45 seconden, tot de climaxpassage op het einde: een volledig vrij moment van ca. drie minuten, waarin het MaxMSP-programma bijna alleen nog stilte weergeeft. Tijdens de blokken grijpt de cellopartij terug naar de sequences uit folio, waarvan het materiaal nu radicaal geherinterpreteerd wordt, net zoals de elektronische partijen hier meer extreme processen op hetzelfde klankmateriaal uitwerken als elders in Blattwerk. In het eerste blok komen de glissandi weer voor. Het tweede blok is gekenmerkt door vingerpercussie en pizzicato in de linkerhand (op twee snaren) die volledig onafhankelijk is van de rechterhand (zonder boog, spelend op de twee andere snaren). Het derde blok maakt gebruik van dubbelgrepen en toenemend ‘marginale’ klankproductietechnieken, eindigend met een lange zachte klank op het staartstuk van de cello. In het vierde blok wordt het fractaal-procédé toegepast op een gerepeteerde set van twaalf tonen. Zo brengen de vier blokken een zeer verscheiden set ‘snapshots’ van een imaginair proces dat opnieuw moet vervolledigd worden door improvisatie.

Dat wordt onderbroken door het elektronisch gedeelte van fossil, dat naar het originele toonhoogtemateriaal terugkeert, vierstemmig en zonder glissandi, terwijl de cello live ritmisch geplaatste glissandi toevoegt. Dit elektronisch gedeelte is noot voor noot opgenomen, waardoor de synchronisatie en de duurwaarden het resultaat zijn van honderden edits, resulterend in vier ‘onmogelijke celli’ (elk met slechts één snaar, waarop de spelers niet alleen zeer precies kunnen synchroniseren in een constant wisselende ritmiek, maar ook onwaarschijnlijk snelle sprongen maken).

Dramatische relaties

Intussen is duidelijk dat de cello en de electronics in Blattwerk evolueren doorheen een structurele dramatisering van de mogelijke onderlinge combinaties. Eerder, in transmission, tendeerden de dramatische relaties tussen de elektrische gitaar en de electronics nogal naar het antagonistische. Blattwerk presenteert niet zozeer de verzoening tussen de elementen, dan wel de expressie of de diepere symbiotische relatie ervan. Naast het exploreren van verschillende strategieën voor de combinatie van compositie, interpretatie en improvisatie, is Blattwerk ook bedoeld om het geloof uit te drukken in het feit dat zowel akoestische als elektronische instrumenten een vitale rol kunnen blijven spelen in progressieve muziek, en in het feit dat dit een bijzondere houding insluit ten opzichte van de akoestische muziek. Alles wat een instrument(ist) kan doen, maar wat een computer kan reproduceren of verbeteren, moet uitgesloten worden, zodat men zich kan focussen op die onuitdrukbaar complexe klank/vorm/voorstellings-fenomenen die misschien zelfs principieel een menselijke geest en lichaam nodig hebben voor hun realisatie. Analoog zijn er muzikale fenomenen die enkel gerealiseerd kunnen worden door middel van een intensief compositieproces, en weer andere die enkel kunnen gerealiseerd worden door (even intense) improvisatie.

Besluit

Als vorm van besluit wil ik terugkomen op de redenen waarom ik gebieden buiten het blikveld van de 20ste-eeuwse componist/uitvoerder-relatie wens te onderzoeken. Mijn motivatie kan als volgt samengevat worden:

1. Mijn persoonlijke ervaring van het luisteren naar hedendaagse muziek leert mij dat, op weinig uitzonderingen na, de kunst van de compositie, zoals die ‘verstaan’ wordt door de instellingen die de indruk wekken te bestaan om de nieuwe muziek te promoten en te voeden, stervende is in vergelijking met wat zich voltrekt en ontwikkelt in de context van de improvisatie.

2. Ik geloof dat dit ontegensprekelijk politieke wortels heeft, in die zin dat het aanvaarde sociale model van deze kunst de structuur weerspiegelt van de maatschappij die haar genereert, wat betekent dat ze gekarakteriseerd is door gedeshumaniseerde economische machtsrelaties. Daarom is het geen wonder dat componisten (om die alleen te noemen) slechts twee keuzen schijnen te hebben: capituleren voor de commerciële belangen en klein-zakelijke ondernemers worden in de muziekindustrie, ofwel zich naar binnen te keren, naar een ‘groeps-solipsisme’, waar zij en hun kameraden elkaar ervan kunnen overtuigen dat hun creatieve verarming in feite iets vitaal en betekenisvol is. Ik voel het als noodzakelijk aan beide standpunten te verwerpen als vormen van fin-de-siècle-pessimisme. Geen van beide kan een visionaire kunst voortbrengen die het potentieel aan menselijke verbeelding en intelligentie waardig is.

3. Desalniettemin is er een andere richting om in te slaan. Ik hoop dat ik duidelijk heb gemaakt dat de kunst van de compositie in de breedste betekenis niet uitgeput is. Het merendeel van het werk dat ik in de voorbije jaren verricht heb, had als fundamentele motivatie een zoektocht naar mogelijkheden om ‘het te laten functioneren’, in de context van verschillende soorten muzikale samenwerking en collectieve muzikale activiteiten. Dit is niet de plaats om deze activiteiten op te noemen, noch is het nu het ogenblik, tenminste voor mij, om die te beoordelen. Op dit ogenblik zou ik liever willen vaststellen dat Blattwerk bedoeld is om zijn plaats in te nemen in dit proces, of tenminste in het uitstippelen van enkele mogelijke richtingen die dit proces zou kunnen inslaan. Elke muziekpartituur draagt een vraag in zich, die moet beantwoord worden door de uitvoerder(s). (De meeste componisten schijnen enkel geïnteresseerd in een “ja” als antwoord.) Wat ik probeer te doen, is deze vraag op de muzikale voorgrond schuiven, in de hoop dat, als de uitvoerder zijn muziek als antwoord geeft, de verbeelding zich gaat openen (wat nog niet is kunnen gebeuren in andere omstandigheden), en in de hoop dat dat proces zichzelf zal communiceren om de verbeelding van de luisteraar te activeren. Dat mag een zware klus lijken, maar met de woorden van Edward Bond: “zich vastklampen aan een strohalm is het enige realistische dat ons te doen staat”.

 

Richard Barrett, Berlin 2/8/2002

Uitvoeringen Blattwerk van Richard Barrett

Arne Deforce, cello en Richard Barrett, live electronics, CRFMW computers

  1. Festival Musica, Strasbourg, 2 oktober 2002 (première)

  2. Festival Format, Brugge, 5 en 6 oktober 2002

  3. Festival Images Sonores, Luik, 16 november 2002

  4. Festival Wien Modern, Wenen, 24 november 2002

  5. Contemporary Music Festival, Huddersfield, 29 november 2002

  6. Handelsbeurs, Gent (performance of part II FOLIO), 05 december 2002

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

next text >>